Ontmoeting 1

Voorovergebogen veegt ze gevallen bladeren bij elkaar. Haar krullen dansen voor haar ogen. 

‘Veel werk,’ roep ik, kijkend naar de berg die ontstaat. Ze lacht en komt overeind. ‘Klopt,’ zegt ze. ‘Maar ik vind het niet erg om te doen. Het is goed weer, en ik ben lekker buiten.’

Met beide handen grijpt ze in de bult. Alles wat blijft hangen gooit ze in een zwarte plastic ton. Iets verderop is een gemeentelijke verzamelplaats voor herfstblad. Daar zal ze de ton zo legen.

Sinds 18 jaar woont de vrouw in het dorp op het Hogeland. Ze draait met haar ogen als ik vraag of ze het naar haar zin heeft. Wennen aan het dorpse leven, lukt haar niet. Ze zucht. ‘Ik woon liever op een boerderij, met niemand om me heen.’ 

Die boerderij heeft ze wel gehad. Om die reden verhuisde ze dertig jaar geleden van Gelderland naar Groningen. In het noorden was het goedkoop, en er was ruimte.

Soms loopt het leven anders dan gehoopt. De boerderij is ingeruild voor een oud huisje langs het kerkpad. In de achtertuin heeft ze haar eigen paradijs gemaakt, vol bomen en struiken waar egels en eksters dankbaar hun plek vinden. 

‘Ik houd meer van bos dan van polder. Het heeft 10 jaar geduurd om aan de weidsheid te wennen. Nu kan ik het waarderen. Maar in mijn tuin heb ik mijn eigen Gelderse boslandschap.’

Ontmoeting 2

Hoe guurder en bewolkter het weer, hoe grauwer en donkerder de mensen zich kleden.

Regen dreigt, de wind trekt aan. Op een zaterdagmiddag in november loop ik in het dorpscentrum. Slechts enkele voorbijgangers. Zwarte en donkergrijze winterjassen. Ik trek mijn muts verder over mijn oren en sluit met mijn sjaal alle kieren rond mijn kraag. 

In de steeds leger wordende winkelstraat klinkt vanuit een zijweg geratel van wieltjes. Een dame met een felgekleurde diepblauwe wollen jas draait de hoek om. Haar rode haren zorgvuldig opgestoken. Een rieten boodschappenkarretje sleept ze achter zich aan. Verbluft kijk ik naar haar kleurrijke verschijning. 

Ik loop achter haar aan, en zoek een moment om haar aan te spreken. Een opgebroken stoep helpt. Worstelend met het karretje ploegt ze door het zand. ‘Ik hoop dat ze het snel dichtgooien hier,’ verzucht ze. ‘Het ligt al heel lang open.’ 

Eenmaal op het plein vertelt ze over de zeeën die ze samen met haar man heeft bevaren. Hoe ze naar Japan ging en andere verre landen. Nu is ze in de tachtig. Haar auto heeft ze vaarwel moeten zeggen. Ze komt niet verder dan haar woonplaats. Ook daar zoekt ze het avontuur. Iedere dag loopt ze een rondje. Met alle mensen die ze op straat ontmoet, is boodschappen doen zomaar een mini-reis. 

Ontmoeting 3

Mensen met lege en volle boodschappentassen, rammelende winkelwagens voortduwend, lopen de supermarkt in en uit. De najaarszon schijnt zwakjes tussen de flatgebouwen door. Net buiten de looproute zit een man in een scootmobiel. Hij bekijkt het winkelend publiek. Af en toe neemt hij een trek van zijn sigaret. Hoewel hij zonderling oogt, zeg hij mij vriendelijk gedag als ik hem groet. 

‘Vroeger zag het er hier heel anders uit.’ vertelt hij. Wijzend naar de in de jaren zeventig uit de grond gestampte appartementencomplexen. Blokkendozen zonder geur of kleur. Snelle bouw voor de hoos aan arbeiders die ooit in de chemiefabrieken kwamen werken. Hij heeft het allemaal zien gebeuren. Het huis waar hij opgroeide verdween met de komst van de arbeiders. Ook hij vertrok. In het zuidwesten van het land ging hij les geven op een basisschool. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij keerde terug. Hier liggen zijn wortels, hier spreekt hij de taal. Hier kan hij rustig voor de supermarkt zijn sjekkie roken, zonder opgemerkt te worden.